Zij die nog niet gedoopt zijn nodigen we hartelijk uit om deze stap van gehoorzaamheid te doen en thniemeijerzich aan te sluiten bij hen die reeds aangegeven hebben zich te willen laten dopen. Onderstaand stukje over de doop kan u wellicht helpen om hierin een juist besluit te nemen:

 “Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd.” (Handelingen 2:41)

In 1 Timotheüs 3:15 wordt de gemeente met het “Huis van God” vergeleken. Een huis moet altijd volgens een bepaald bestek gebouwd worden, een bestek dat we in de Bijbel kunnen vinden.

Zoals Mozes de Tabernakel (het huis van God) naar het hemelse model, dat God hem toonde, moest bouwen (Exodus 25:8,9,40) en zich daarbij ook aan alle details hield, zo behoren wij zijn voorbeeld te volgen en op dezelfde wijze aan de gemeente te bouwen. Tegenwoordig hebben velen het Bijbelse model voor de gemeente verlaten en zijn naar eigen ideeën te werk gegaan. Hierdoor zijn veel tradities de gemeente binnen geslopen die geen Bijbelse grondslag hebben. Een gevolg hiervan is het grote misverstand over de doop. 

De Here Jezus heeft aan de gemeente twee verordeningen gegeven, namelijk het Heilig Avondmaal en de Doop. De protestantse kerken noemen deze verordeningen “sacramenten”, wat betekent: “Door Christus ingestelde handelingen, waardoor ons door bemiddeling van aardse tekenen, hemelse gaven gegeven worden”.

Dit is echter niet juist! Er wordt ons in deze sacramenten niets gegeven. Ze zijn een beeld, een getuigenis, van iets dat al gegeven is of van iets dat zich reeds voltrokken heeft.

Het zijn dus ook geen ”genade bemiddelende krachten”, zoals de Rooms Katholieke Kerk dit leert (Latijn: Ex opere operato – concilie van Trente).

De Bijbel leert ons niet dat we via deze sacramenten iets ontvangen, maar dat we door gehoorzaamheid aan zijn inzettingen door Hem gezegend zullen worden.

 

Instelling van de doop
De Here Jezus heeft de doop Zelf ingesteld. Hij gaf voor zijn hemelvaart de opdracht: “Gaat dan henen, maakt al de volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam des Vader en des Zoons en des Heilige Geestes en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb” (Mattheüs 28:19).

 

Nieuw Testamentische manier van de doop

In de Bijbel vinden we alleen de doop door onderdompeling. Ook in het Oude Testament komen we de doop door onderdompeling tegen. Wanneer Naäman van Elisa de opdracht krijgt om zich zeven maal in de Jordaan te dopen, dan zien we ook dat hij zich daadwerkelijk zeven maal in de Jordaan onderdompelt. Dopen betekende voor Naäman kennelijk onderdompelen (zie 2 Koningen 5:10-14 Staten Vertaling).

In het Nieuwe Testament wordt steeds het woord “Baptistzo” gebruikt, hetgeen letterlijk “onderdompelen” betekent. De doop der onderdompeling komen we dan ook veelvuldig in het Nieuwe Testament tegen.

 “Johannes doopte te Enon bij Salim, omdat daar veel water was” (Johannes 3:23).

Voor besprenkeling heb je niet veel water nodig!

    “En terstond, toen Hij uit het water opsteeg…” (Marcus 1:9).

We zien het voorbeeld van de Here Jezus Zelf, Die zich door Johannes in de Jordaan liet dopen door onderdompeling.

   

    “…beiden daalden af in het water, zowel Filippus als de kamerling, en hij doopte hem” (Handelingen 8:38).

De vroege kerkgeschiedenis vermeldt ons, dat deze vorm van dopen gedurende de eerste drie eeuwen van de kerk gehandhaafd werd. Pas na de bekering van de Romeinse keizer Constantijn de Grote, waarmee een einde kwam aan de christenvervolgingen, ging men geleidelijk over tot de doop der besprenkeling. De christenen werden nu niet meer vervolgd, ze werden juist met respect behandeld, zodat het vele voordelen met zich meebracht om christen te worden. U begrijpt wel dat dit leidde tot een uitholling van het christendom. Iedereen die in het christelijke rijk van Constantijn de Grote geboren werd, was door zijn geboorte automatisch een christen en behoorde dan ook gedoopt te worden. Hiermee ontstond de massale zuigelingendoop met daaropvolgend, om gezondheidsredenen voor de zuigelingen, de besprenkeling. In de fundamenten van de oude kerken zijn nog steeds de doopvonten terug te vinden die gebruikt werden vóór bovenstaande ontwikkeling. Het gaat hier om een doopvont in de vorm van een kruis, waarbij in de beide dwarsbalken trappen aangebracht zijn. Bij de doop werd het kruis, dat in de rotsen uitgehouwen was, vol water gezet, waar de dopeling via de ene trap in het kruis afdaalde om vervolgens gedoopt te worden en via de andere dwarsbalk het kruis te verlaten. Een prachtig beeld waarin aangegeven wordt dat we met Christus gekruisigd en opgestaan zijn.

Toen het symbool van de doop vervangen werd door de besprenkeling, is ook de betekenis van de doop veranderd.

Door het symbool van de doop door onderdompeling laat de dopeling zien met Christus begraven en in nieuwheid des levens opgestaan te zijn. In Romeinen 6:4,5 wordt aan de doop deze betekenis gegeven: “Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn aan zijn opstanding”.

Niet in de besprenkeling maar juist in de doop der onderdompeling wordt deze gebeurtenis zichtbaar gemaakt. Door verandering van dit symbool is de betekenis van de doop ook veranderd. Omdat men meent dat de kerk de plaats van Israël ingenomen heeft, wordt de doop nu gezien als de besnijdenis en toetreding tot de kerk, Gods huidige verbondsvolk, waarbij niet alleen de jongetjes maar ook de meisjes besneden (gedoopt) worden.

 

Wanneer werd gedoopt?

Ook de volgorde van dopen vinden we in Gods Woord terug. “Wie gelooft en zich laat dopen zal behouden worden” (Marcus 16:16). In Handelingen 2:38 lezen we: “Bekeert u en een ieder van u late zich dopen.” Het antwoord van Filippus aan de kamerling uit Ethiopië op de vraag om gedoopt te worden was heel duidelijk: “Indien gij van ganser harte gelooft is het geoorloofd” (Handelingen 8:36-38).

Uit bovenstaande voorbeelden blijkt duidelijk dat de doop door het geloof voorafgegaan werd. De zuigelingendoop kan ook niet gerechtvaardigd worden uit de geschiedenis die we in Handelingen 16:31-33 tegenkomen, waarbij we lezen dat de gevangenbewaarder van Filippi zich, met zijn gehele huis, liet dopen. Ook hier hebben we eerst te maken met de verkondiging van Gods Woord, het geloof in de Here Jezus met daaropvolgend het besluit om zich te laten dopen. De uitdrukking “zijn gehele huis” wil nog niet zeggen, dat er zuigelingen bij behoorden. Ook de slaven en dienstknechten behoorden bij zijn huis. Een vermoeden dat bij “zijn gehele huis” ook zuigelingen aanwezig waren, vormt een hele zwakke basis voor de praktijk van de zuigelingendoop.

 

de betekenis van de doop

In 1 Petrus 3:18-22 wordt de doop vergeleken met de redding van Noach en zijn gezin tijdens de zondvloed. Zoals Noach in de ark door het water heen gered werd, zo is de doop een beeld van de redding in Christus door het water (een symbool van de dood) heen.

De doop spreekt van het sterven en begraven worden met Christus om daarna met Christus in een nieuw leven op te staan. Men laat uiterlijk zien, wat zich door het geloof reeds innerlijk voltrokken heeft. Verder laat 1 Petrus 3:21 ons zien, dat de doop “een bede is van een goed geweten tot God”. Dit heeft met gehoorzaamheid aan God te maken. Er is hierbij geen sprake van de zogenaamde ”wederdoop” want er is maar één doop. Men is besprenkeld of gedoopt, maar niet twee keer gedoopt. Gods Woord nodigt ons uit om Hem gehoorzaam te zijn op de uitnodiging van Petrus: "Sta op en een ieder van u late zich dopen!"  Waarom nog langer wachten?